Jury informatie

Inleiding
Een wedstrijd bestaat uit een verplichte oefening en twee keuze oefeningen. Bij de verplichte oefening krijgt de springer alleen een uitvoeringscijfer. Bij de keuze oefeningen krijgt de springer een uitvoeringscijfer en een moeilijkheidscijfer. Elke jurypanel heeft een wedstrijdleider, deze let op meer algemene dingen.

Wedstrijdleider
De wedstrijdleider let erop dat een springer de juiste kleding aan heeft, zoals witte sokken, een turnpakje, geen sieraden en de lange haren in een staart. De wedstrijdleider let er ook op dat de trampoline in orde is en alle juryleden opletten. Als de wedstrijdleider een teken heeft gegeven, mag de springer beginnen met zijn oefening. De wedstrijdleider let er ook op of je de blauwe rand of de dikke mat raakt. Je moet dan stoppen met je oefening. Ook moet je stoppen met je oefening als je op één been landt, dit is te gevaarlijk. Bij de verplichte oefening zal de wedstrijdleider erop letten of je de juiste verplichte oefening uitvoert.

Uitvoeringscijfer
Een uitvoeringsjurylid let op de volgende punten: houding, hoogte en zekerheid. Houding: armen, benen en tenen gestrekt, vingers en benen bij elkaar, bij een salto kin op de borst, armen zo dicht mogelijk bij het lichaam. Hoogte: De hele oefening moet zoveel mogelijk op dezelfde hoogte worden gesprongen. Zekerheid: Op de trampoline staan negen vakken. In het middelste vak staat een rood kruis, elke keer als de springer buiten het vak met het rode kruis komt krijgt de springer aftrekpunten. Verder geeft de uitvoeringsjury aftrek als je de blauwe rand raakt of op de dikke mat landt. Voor elke sprong kan de jury 0,0 tot 0,5 punten aftrekken. Als je tien sprongen maakt, krijg je dus een cijfer dat ligt tussen de 5,0 en de 10. De uitvoeringsjury bestaat meestal uit vijf juryleden. De hoogste en laagste score vallen af en de overige drie scores worden opgeteld. (bij drie juryleden worden alle scores opgeteld).

Moeilijkheidscijfer
Bij de keuze oefening krijgt de springer ook een cijfer voor de moeilijkheid van de sprongen. De springer krijgt voor een sprong moeilijkheidspunten als er een draai om de breedte-as (salto’s) of/en om de lengt-as (schroeven) in zit.
– Voor elke ¼ salto (90°) 0,1 punt
– Bonus per volledige salto (360°) 0,1 punt
– Voor elke ½ schroef (180°) 0,1 punt
Enkelvoudige salto’s (360° – 630°) zonder schroeven, uitgevoerd in gestrekte of gehoekte houding krijgen 0,1 punt extra. Meervoudige salto’s van 720° of meer met en zonder schroeven, uitgevoerd in gehoekte of gestrekte houding, krijgen 0,2 punten extra. Bij salto’s met schroeven worden de moeilijkheidswaarden van salto’s opgeteld bij die van de schroeven.

Reacties zijn uitgeschakeld.